Kolonel Mietta Groeneveld: “In drie uur tijd staat nieuwe software op het slagveld”

“Bijna alles is interessant wat daar gebeurt,” zegt kolonel Mietta Groeneveld over Oekraïne. Ze praat dan over een land dat zichzelf onder oorlogsomstandigheden heeft omgebouwd, mede dankzij de digitale visie van minister Michail Fedorov, tot één van de snelst innoverende krijgsmachten van dit moment, ver voorbij het niveau van een los wapensysteem of een specifieke aanval.
Kolonel Groeneveld is director van het NATO Command & Control Centre of Excellence. In dit gesprek voor Security Innovation Stories vertelt ze hoe Oekraïne het gevecht om technologische voorsprong heeft omgezet in een continue vernieuwingscyclus, en waarom die snelheid volgens haar ook de kern raakt van wat innovatie in security vandaag betekent. Het gaat er wat haar betreft vooral om hoe snel je leert wat werkt en wat niet.
Deze aflevering van Security Innovation Stories maakt deel uit van een speciale reeks rond CyberSec Netherlands (9 en 10 september, Jaarbeurs). Op donderdag 10 september, van 13:05 tot 13:25, verzorgt Kolonel Mietta Groeneveld samen met Jeroen Gaiser, plaatsvervangend CISO bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, een duo-sessie over de kloof tussen geopolitieke cyberdreigingen en de dagelijkse praktijk van CISO’s die verantwoordelijk zijn voor vitale infrastructuur.
Van melding tot fix in drie uur: hoe het slagveld de software mee ontwikkelt
In het gesprek beschrijft kolonel Groeneveld hoe Oekraïne het gevecht heeft georganiseerd in drie lagen. De eerste laag draait om detecteren en onderscheppen: alles wat op het land wordt afgeschoten, moet zo veel mogelijk worden gezien en tegengehouden. Daarvoor bouwde het land in korte tijd een sensornetwerk en waarschuwingsapps voor de bevolking. De tweede laag gaat verder dan verdedigen alleen. Het draait om zorgen dat je de aanval voorkomt en bijvoorbeeld drones niet opstijgen, dat vraagt om inzicht waar vandaan en hoe je wordt aangevallen en een gedetailleerd overzicht van aanvalsdoelen. Door het bij elkaar brengen van steeds meer data ontstond een digitaal systeem met honderden datalayers die situational awareness geven en trend kunnen weergeven, niet alleen aan militairen maar ook aan burgers die actie moeten nemen. De derde laag is het actief onderhouden van internationale betrokkenheid: Oekraïne behandelt zijn allianties als een gevechtsmiddel, niet als diplomatieke context. Zonder die internationale gemeenschap kunnen de wapens van de tegenstander niet worden drooggelegd.
Wat deze aanpak volgens kolonel Groeneveld onderscheidt van de manier waarop NATO-landen gewend zijn te werken, is de snelheid waarmee informatie van het slagveld teruggaat naar de ontwikkelaars. In haar woorden:
“Zodra vanuit het gevechtsveld wordt gemeld dat iets niet werkt, wordt er direct gereageerd. Binnen drie uur staat de aangepaste software al op weg naar Oekraïne en kan worden geïmplementeerd.”
Deze directe samenwerking met de industrie maakt het verschil. Oekraïne wil in de vernieuwingscyclus minstens tien stappen voorlopen op Rusland, en dat wordt bereikt door bedrijven de mogelijkheid te bieden nieuwe middelen meteen te testen en verbeteringen of falen razendsnel terug te koppelen.
Van een handgranaat onder een DJI-drone tot volledig autonome swarming
Kolonel Groeneveld illustreert de innovatiesnelheid ook met een ander voorbeeld. Voor de oorlog waren DJI-drones al breed bekend als consumentenproduct. Zodra iemand er in Oekraïne een handgranaat onder hing, veranderde een speeltje in een wapen en volgde er een wedloop tussen aanval en verdediging. Al snel werd het netwerk van die drones een doelwit, wat het conflict verder de elektronische oorlogsvoering in dreef. Van simpele frequency hopping ging de ontwikkeling naar veel complexere spectrumoperaties, en zelfs naar oplossingen zo basaal als een dun draadje naar de drone toe, om digitale disruptie onmogelijk te maken.
Volgens kolonel Groeneveld is de volgende stap al zichtbaar: drones die volledig autonoom navigeren en opereren (bijvoorbeeld op basis van beeldherkenning) en drones die andere drones aansturen in swarmingtechnieken. Diezelfde technologie speelt ook een rol op een heel ander niveau: dat van de hoofdkwartieren die de operaties aansturen waarmee de oorlog uiteindelijk beslist moet worden. Op dat niveau gebruiken commandanten AI om patronen te herkennen in grote hoeveelheden data uit het verleden, waardoor afwijkende bewegingen op het slagveld veel sneller opvallen dan wanneer analisten die data handmatig zouden moeten doorspitten. En in toenemende mate in de ondersteuning van complexe planning, simulaties en het meten van effecten.
Waarom een krijgsmacht van nature het minst creatieve deel van de organisatie is
“Op een gevechtsveld is creativiteit heel belangrijk, maar eigenlijk is het hetgene wat het minst ontwikkeld is bij een krijgsmacht. We denken wel dat er verrassing in zit, maar eigenlijk is het een heel erg symmetrische aanpak. Als je opeens iets anders gaat doen en het is effectief, dan is dat verrassend.”
Deze paradox verklaart voor kolonel Groeneveld een groot deel van wat er in Oekraïne is gebeurd. Het land was al voor de oorlog relatief ver met digitalisering, onder andere op cybergebied. Toen die kennis met een uniform werd gecombineerd, ontstond een omgeving met veel diversere experts die met hun kennis bijvoorbeeld oud materieel met nieuwe electronica weer bruikbaar maakten. Door het delen van data te belonen werd het ook mogelijk om beter zien dat nieuwe technologie en met name drones effectief waren waardoor vernieuwing plotseling de norm werd. Dat maakte de innovatie niet toevallig, het maakte haar het directe gevolg van een ontwikkelde samenleving die al gewend was aan snel schakelen voordat de oorlog begon.
Snelheid als de nieuwe kern van militaire innovatie
Voor kolonel Groeneveld draait innovatie in security vooral om snelheid: de snelheid waarmee een organisatie ontdekt wat wel en niet werkt, en die kennis vertaalt naar een aanpassing die meteen ingezet kan worden. Ze ziet in Oekraïne een aanpak waarbij falen op het slagveld binnen uren leidt tot een aangepaste versie van een systeem, gevoed door een combinatie van militaire ervaring, commerciële partnerschappen en een samenleving die al gewend was aan digitale verandering. Die drie-urige cyclus is voor haar niet zomaar een operationeel detail. Het is het duidelijkste bewijs dat overleven in een moderne dreigingsomgeving vraagt om een organisatie die continu leert, in plaats van een organisatie die wacht op het volgende grote plan.
Kolonel Groeneveld wijst op een structurele zwakte in het nationale cyberveiligheidslandschap: NIS2 geldt niet voor Defensie en een aantal andere overheidsorganisaties. Wie niet verplicht is een cyberaanval te melden, draagt niet bij aan het collectieve dreigingsbeeld. De keten is zo sterk als de zwakste schakel die niet hoeft te rapporteren. Voor CISO’s verantwoordelijk voor vitale infrastructuur is dit geen technische voetnoot: het is de reden dat hun situational awareness per definitie onvolledig blijft zolang deze uitzondering bestaat
Kolonel Groeneveld sluit het gesprek af met een uitspraak die ze bewust met de grondhouding van NATO verbindt: “The ultimate art of war is not to fight.” Voor haar staat die zin voor een verdedigings- en afschrikkingsorganisatie die zich richt op het beschermen van een manier van leven, in plaats van op het voeren van gevechten om het gevecht zelf. Ze waarschuwt tegelijk voor het andere uiterste: wie alles gaat beveiligen en iedereen achter de dijken plaatst, houdt uiteindelijk weinig over om voor te leven. De opgave is voor haar simpel te formuleren en moeilijk uit te voeren: zorgen dat er, na alle innovatie en alle verdediging, nog iets overblijft dat de moeite van het beschermen waard is.






